‘Weet u dat het de Week van het Nederlands is?’
‘Weet ik of het de Week van het Nederlands is?’
‘Ja, dat vraag ik u.’
‘Ja, dat vraagt u mij.’
‘Heeft u er iets van meegekregen?’
‘Heb ik er iets van meegekregen…’
‘Denkt u er even rustig over na.’
‘Mag ik daar even rustig over nadenken?’
‘Leest u veel.’
‘Lees ik veel…’
‘Boeken bijvoorbeeld. Met mooie, Nederlandse zinnen.’
‘Boeken met mooie Nederlandse zinnen erin? Nee, daar zie ik totaal de zin niet van in.’
‘In welke zin?’
‘In welke zin? In die zin dat ik er geen zin in heb. Elke zin is al gezegd en ik heb een hekel aan herhaling. Maar wat wilde u mij nu eigenlijk vragen?’


https://www.youtube.com/watch?v=GrxF4ofLE00