‘Hou God voor ogen en je hand voor je lekkers,’ zei oma tegen mijn zusje. Tegen mij maakte ze alleen een opmerking die ik op jonge leeftijd niet begreep: ‘Jongens worden mannen en mannen zijn jagers’ – ze roerde in haar borreltje met suiker en lepelde de pinda’s eruit. ‘Die artiestenwereld is zo rot als een mispel.’
Ze had in de revue gedanst en geacteerd. Bekende namen van acteurs die ‘al lang op de eeuwige jachtvelden waren’ passeerden de spreekwoordelijke revue.
‘Maar het lag niet alleen aan die kerels. Jonge meisjes dachten zich naar de top te kunnen honkebonken. En dan verdwenen ze met hun buik met benen. Waarheen? In een doofpot zit meer om te delen dan in een fooienpot.’


De laatste zin past op een tegeltje Han! Mooi.
Mooi.
Lousjekoesje. Dank je wel.