Nee, ik kom gewoon uit de bloemkool. Dat deed oma mij geloven. Ze zette me steevast, als alle oudtantes en -ooms op bezoek kwamen, op tafel. Als een pronkstuk. Haar pronkstuk. Ik moest dan Heintje zongen. Omaatje lief. Ik vond het helemaal niet lief. Ik schaamde me kapot. Daarom mijn vraag. Waar kom ik vandaan oma? Uit een pruim? Oma, wist niet wat ze hoorde. Zo ook de oudtantes en -ooms. Eentje verslikte zich zelfs in een slap Mariakoekje dat met de koffie haastig naar binnen werd geslurpt. Totdat ik mijn vraag stelde. Kom ik uit een pruim? Stukjes Mariakoekje en wat koffie spatten recht in mijn oma’s gezicht. Mijn zoete wraak had niet beter voor de dag kunnen gekomen.

zongen = zingen