Ze stond, had net de stomp van de joint gedoofd. Met een onnavolgbaar en bijna onwaarneembaar zetje bracht hij haar aan het wankelen en liet haar handig in zijn armen landen. Zij was eerst even overdonderd als ik, als toeschouwer, keek hem even aan, omhelsde hem en nestelde zich tegen hem aan.
Een Japans vechtsporttruukje geloof ik, had hem het meisje opgeleverd dat voor mij bestemd leek. Zij gingen in elkaar op, ik keek even of ik nog een plaat zou opzetten, en zo ja, welke.
Zij keek vriendelijk naar mij en wenkte: “Kom bij ons zitten.”
“Ons”! En ik gehoorzaamde ook nog.
Hebben zij op die eindeloze tocht naar “hun” plaats in die kussens mijn gebroken hart horen rinkelen?


Recente reacties