In mijn herinnering had hij altijd het stompje van een sigaar in zijn mondhoek, mijn ome Janus. Ooit zal hij hem toch voor het eerste aangestoken hebben. Zijn sigaar brandde ook, als we in zijn auto mochten meerijden. De walmen in zo’n afgesloten ruimte maakten me misselijk.
Een andere fervente sigarenroker was onze pastoor. Als hij op bezoek kwam, presenteerde mijn moeder hem steevast een sigaar uit onze eigen doos. Het leek alsof de gesprekken belangwekkender werden in dit aroma.
Tegenwoordig zijn sigaren niet meer in de mode, maar misschien mis ik een subcultuur. Heel af en toe fiets ik achter iemand, die onmiskenbaar een sigaarlucht met zich meedraagt.
Dan komen ome Janus en onze pastoor weer even op bezoek.

Recente reacties