In het hedendaags taalgebruik vooral gebruikt voor een schijnheilge ofwel huichelaar. Het kan ook duiden op iemand die naar de letter en niet naar de geest van een wet of (religieus) voorschrift, interpreteert, leeft of voorschrijft. Een heilig boontje kan je hem of haar wel noemen. Maar wel een die de katjes (of katers) in het donker knijpt.
Vaak vraag ik me af bij mensen, wat schuilt er achter de verpakking? Wat verhult het pokerface? En waarom vindt het woord zijn herkomst weer in een Joods verleden? Wat zouden Sam en Moos daarvan denken? Met hun humor en hun ernst. Ook kinderen houdt het bezig. Faria, faria, faria … nimmer worden we moe te dwalen … Faria. Over bergen en door dalen.

Ten tijde van Herodes I de Grote waren er ongeveer 6000 farizeeën. Dat was een Joodse religieuze stroming, politieke partij en sociale beweging.
Het hedendaags gebruik van het begrip farizeeër gaat terug op wat Jezus op verscheidene plaatsen (Matteüs 6, 23, Lucas 12) gezegd heeft over de huichelachtigheid der farizeeërs.
Matteüs 23, 13-22: Blinde leiders
Wetsleraren en farizeeën, wat zijn jullie schijnheilig! Jullie reizen de hele wereld over om er één volgeling bij te krijgen. En als jullie hem gevonden hebben, maken jullie hem nog slechter dan je zelf bent. Jullie maken hem klaar voor de hel! Daarom zullen jullie gestraft worden.