‘Kijk!’ zegt ze. Ze vouwt haar verjaardagskaart open en maakt een dansje op de melodie.
‘En niet om ijs vragen hoor,’ zegt haar moeder.
‘Niet geven hoor.’
‘Nee’ – maar dat belooft hij niet.
– kinderen die nauwelijks weten dat ze het zijn, kinderen wier kinderen later ook het kind-zijn niet ervaren, onder een strohoed tegen de brandende zon op een koffieplantage voor te branden bonen, waarvoor zij de hoofdprijs betalen, maar nooit de wereldprijs krijgen.
Maar zij lopen in een andere wereld. Langs het terras richting ijssalon – op de tafels met blaadjes en hartjes opgeleukte cappuccino…
‘Heeft ze nu toch om ijs gezeurd?’ vraagt haar moeder.
‘Hoezo?’
‘Die vlek…’
‘Och, ze zei alleen maar: ‘Wat ruikt het hier lekker naar ijs.’


Helaas zijn kinderen nog meer dan ooit het kind van de rekening.
Ik wil niet belerend zijn … Toch denk ik dat wij, volwassenen, ons dit mogen aanrekenen.
Ja, kinderen zijn vaak de dupe. Maar onder ‘wij’ en ‘ons’ schaar ik mij niet.
Uiteraard is dat geheel aan jou, Han. Vandaar ook mijn woordkeuze mogen en zeker geen moeten.
Wel heb ik mijn vader als voorbeeld. Hij was al op zesjarige leeftijd wees. Hij heeft in zijn leven altijd weeskinderen financieel ondersteund. Vooral in oorlogsgebieden. Wij kwamen daar pas achter toen hij was overleden. Hij liep daar niet mee te koop, hij deed het gewoon.
Dat is heel mooi van je vader. Maar ik bedoel dat ik mijzelf het kinderleed niet aanreken. En als ik een kind kan helpen, zal ik dat altijd doen.
Fijn, dat je er zo instaat, Han.
Gek genoeg rekent een deel van mij me dat wel aan.
Wat er in oorlogsgebieden gebeurt, is een gruwel. Dat staat te ver van mij om er invloed op te hebben. Zelfs regeringen weten daar niet goed raad mee.
Ik zie in mijn omgeving dingen in gezinnen die ik liever niet zou willen zien. Ik weet daar ook geen goed raad mee.
Een gevoel van onmacht wordt steeds groter. Toch blijf ik dat kind in mij.