Het tengere buurmeisje – ik vergeet steeds haar naam – kwam net langs, Platero. Ze had een gewonde houtsnip gevonden.
Het vogeltje was er erg aan toe: het zat helemaal onder het bloed, ademde zwak en knipperde onregelmatig met de ogen.
“Het komt toch nog goed met haar, hé, mijnheer (ze vergeet steeds mijn naam)”, vroeg ze met een krop in de keel.
Ondanks haar prille leeftijd vermoedde ze wellicht dat het dier ondraaglijke pijn doorstond en dat verlossing uit het lijden de enige mogelijke barmhartige daad bleek.
“Ik heb haar nochtans een mooie naam gegeven. Louisette.”
Ik ben maar wat blij dat je er geen getuige van was, lieve Platero, ook al snuffel je nu aan de neergedwarrelde en kleverige veren.


Wat leuk dat mijn naam erin staat.