‘Ik krijg al pijn in mijn keel als ik ernaar kijk.’
Als zijn vrouw niet kijkt, doet hij gauw een handje terug in de bak.
‘Daar liggen ze gesneden, Greet.’
‘Nee, we snijden ze zelf. Verser, lekkerder en goedkoper.’
Hij dus, want zij heeft artrose. Nee, alsof hij niets mankeert. En die rottige snijbonenmolen schiet altijd van de rand van het aanrecht af. Hij is onhandig. Zegt zij.
‘Wat voor vlees nemen we, Greet?’
‘Vegetarische schnitzel. Je hebt toch dat fragment gisteravond gezien? Arme beesten!’
Wat een arremoede. Net als vroeger, toen hij ook alleen maar naar vlees kon verlangen. Er bekruipt hem een onbehaaglijke, maar bevrijdende behoefte om gauw alleen te zijn. Vleselijk genot ontbeert hij toch al jaren.


Oef. Dat hij van die snijbonenmolen af wil, snap ik. Mijn ouders hadden zo’n onding. Ik snij ze gewoon.
Echt gelukkig lijkt hij me niet, dus misschien beter alleen af.
De laatste zin is het klapstuk! Mooi gevonden.
Ja die molen… Ik gebruik m wel (op dagen dat ik de voorgesneden stukjes laat liggen voor jouw hp.)
Niet te benijden..die man. Snijbonen daargelaten.
Levja, ik heb hem nog steeds. De man is het roerend met je eens.
Alice, dank je wel!
Luc. Mannen hebben het soms niet makkelijk.
Juist, ja. Malle molens van gedachtes en de spanning is om te snijden.
De snijbonenmolen kende ik niet.
Lousjekoesje. Een handig apparaat!