Verdomme, toch niet mijn moeder. Alles krijgen ze, maar van ma blijven ze af. Dat lieve mens heeft geen cent te makke en nog jatten ze haar laatste duiten. Smerige hufters zijn het. Ik moest meedoen, zeiden ze. Klusje hier, handjes uit de mouwen daar en geen vragen stellen.
Maar ik wilde niet. Durfde niet. Zei dat ze moesten oprotten. Pietje Willem, mijn maatje van vroeger, was al van hen en trok lijkbleek op dat moment. Wist toen al hoe laat het was.
“We vinden je wel”, riep De Lange nog.
Thuis zit de schrik er goed in. Maar ik pak ze wel terug. Heb een plan. En een mes. Mij snoert niemand de mond en die lange gaat eerst.

Recente reacties