De eerste dagen leefden we vooral op verhalen van de horrorsoort. De stank van verbrand haar en gebakken darmen droeg daar zeker toe bij.
De geur van de slachting raakten we niet zomaar kwijt en de gruwelbeelden van opa, smullend van een krokant varkensstaartje namen alsmaar gruwelijker proporties aan.
Onze grootouders deden niet moeilijk: ze begrepen dat kinderen soms buikpijn kregen als ze mochten eten.
Voor de boterhammen moesten we wachten tot de volgende morgen. En dan probeerden ze ons aan te zetten tot een reuzelsmeersel! Reuzel! Om dan van die vieze bloedworst nog maar te zwijgen. Over de trieste dood van het varken zelf, mochten we niet reppen. Dat was het enige taboe dat wij in stand hielpen houden.


@C.P.V.: de varkenspootjes en de oren verborg mijn grootmoeder in een grote ketel, onder een berg van groenten-hutsepot. Heel wijselijk verzweeg zij dat voor ons en heel wijselijk zat opa steeds achter de grote ketel zodat we niet goed konden zien wat hij precies at. 🙂
Gelukkig zien we niet altijd het ontstaan van etenswaar…
Het lijkt me dat je de geur uit duizenden zult herkennen
Gruwelijk, zeer indringend en zintuigelijk geschreven.
En dan die haartjes en het varkensstaartje ..,brrr
Gruwel … Voor mij dan, hoor. Goed beschreven.
Ik zou geen hap door mijn keel kunnen krijgen! Voor mij is dit horror!
uit de tijd dat je dit allemaal nog zag
@José: mijn grootouders zijn nu negentig-plussers en het gebeurt nog ieder jaar. 🙂