Ik vind mijn vader in de gedeelde huiskamer. Hij speelt Rummikub met zijn medebewoners en begeleiders. Daar was hij altijd goed in. Hij verliest, maar dat ligt niet aan hem. We lachen, er is vreugde in het gezelschap.
Op weg naar zijn kamer komen de tranen; hij zit altijd alleen, niemand bekommert zich om hem. Hij verpietert hier!
Ik weet dat het niet waar is, dat weten we allemaal.
In zijn hoofd en in mijn hoofd zit een andere waarheid, maar zijn waarheid is voor hem net zo echt als de mijne voor mij. Is zijn waarheid alleen maar minder waar omdat er meer mensen zijn die mijn waarheid bevestigen?
Is waarheid dan gewoon een kwestie van “meeste stemmen gelden?â€

Iets is niet waar omdat veel mensen, of zelfs de meeste mensen (al dan niet binnen een groep) dat vinden. Waarheid is toetsbaar aan feiten. Wat ziet het bezoek van de vader wanneer het bezoek niet bij de vader is?
Wij zien natuurlijk niets als we er niet zijn, maar op welk tijdstip we ook komen, hij is altijd ergens mee bezig, altijd in gezelschap. Hij gaat elke dag iets doen of ergens heen. Hij heeft het drukker dan ik soms!
Misschien zo druk om de eenzaamheid te ontlopen?
Hij was nooit een gemakkelijk te doorgronden mens. En nu zijn hersens een eigen weg volgen is dat er niet gemakkelijker op geworden.
Het lijkt mij hoe dan ook een heel moeilijke situatie.