Je zegt:
Ik zit met mijn voeten in het water.
Doe dat water weg.
Ik zeg:
Zal ik je rolstoel draaien met mijn handen?
Weg van het water.
Je zegt:
Ik heb snel een broek nodig en een shirt.
Want ik ga tennissen.
Ik zeg:
Straks, na het eten kom ik bij je terug.
Met alle spullen.
Je zegt:
Er is een heel groot vliegtuig geland.
Met jou op de vleugel.
Ik zeg:
Het was een prachtige reis, maar ik ben blij,
Dat ik terug ben.
Je zegt:
Ik wil nu naar huis, en jij moet de auto halen.
Ik zeg:
Dat doe ik later, eerst ga jij slapen.
Ik zeg:
Vandaag moest ik heel erg huilen.
Jij zegt niets.


Ik moet ook bijna huilen.