Ik wankel gedesoriënteerd door het gras
Met angstzweet aan het hoofd
hoor één felle kras
Val ten aarde – God zij geloofd. –
Daar staat een wonderlijk schepsel
Het gewaard mij als vijand aan
Ik doe mijn schietgebedje; vaarwel
Mijn handen gevouwen en een traan
Dan plots slaat het gemoed mij in
Ik veer op en sla mijn hand
Naar het roodwitte apparaat aan mijn gordel
Hier woedt een heftig duel
Tussen die creatuur en mij. Florissant
heb ik haar gevangen; gij bent nu mijn heldin

Recente reacties