Diep haalt hij adem. De lucht prikt in zijn neus. Een overrompelend, alles verterend gevoel van blijheid overspoelt hem. Een trilling in de lucht, een twinkeling in zijn buik. Hij kan niet stil blijven staan. Zijn voeten moeten bewegen.
Hij rent.
Hij springt.
Hij vliegt.
Het met boterbloemen bevlekte gras snelt onder hem voorbij. De blauwe lucht lonkt. Een zacht warm briesje flirt met zijn haren. Snuivend staat hij niet veel later stil. Hij kijkt naar de vrouwen om hem heen. Frivool. Even wild en onbevangen als hij. Hij voelt zich verharden.
Ze lonken.
Ze smachten.
Ze verlangen.
Een stroomstoot gaat door zijn lijf. Hij ontwaakt uit zijn mijmeringen, valt op de tegels van het abattoir. Hij leefde niet lang.

Een mijmerende stier?!
Een voor mij onbekend dier.
Hij is een wachter.
Binnen zijn circel is het leven zachter.
Hij is geen jager.
Beslist geen koeien behager.
Hij weet hoe je een haas kan vangen.
Weet om te gaan met dierlijk verlangen.