– Ik heb een idee. Zullen we deze zomer gaan kamperen?
– Hmmm, oh, brrrr, bah.
– Lekker knus in een klein tentje.
– In zo’n ding waarin je je amper kunt bewegen, na een dag of twee al geradbraakt van de kramp.
– Heerlijk slapen in de buitenlucht, lekker in een slaapzak.
– Ik doe de hele nacht geen oog dicht, op zo’n dun matje en dan met al die vreemde geluiden uit de natuur.
– En ’s avonds lekker yahtzee en rummikub spelen tot het donker wordt.
– Me heel de avond zitten vervelen, zo zonder TV.
– Wandelen in het bos, picknicken, zwemmen in een meertje.
– Vieze toiletten, koude douches, ongedierte, jeuk.
– Oh, ik kijk er zo naar uit!
– Over mijn lijk.
– Wat zei je, schat?

Levensechte dialoog. Ik zie de scène voor me.
Knap, de teerlingen zijn geworpen!
Waarom zijn deze mensen samen?
Wel naast elkaar maar niet echt met elkaar.
Krijg niet de indruk dat dit samen gaat lukken, misschien andere dingen wel?
De gruwel van het kamperen komt direct bij mij boven.