Hij sneed haar keel door alsof het niets was. Ze was toen al buiten bewustzijn. Toch had ze het langer volgehouden dan de anderen, dacht hij geamuseerd. Zo was het wel leuker. Hij controleerde of zijn handschoenen nog goed zaten, pakte haar hoofd en zette dit toen zorgvuldig naast haar lichaam. Zij keek óók naar de deur. De smerissen hadden gedacht dat dit een aanwijzing was. Hij grinnikte inwendig. Wat een stel heikneuters. Haar vingers legde hij verspreid over haar lichaam, alsof ze hagelslag waren. Toen keek hij nog even van een afstand. Pure kunst. Helaas was het tijd om te gaan. Bij de deur draaide hij zich nog eens om. ‘Tot in de pruimentijd, schat’. Op naar nummer vijf.

Je schrijft beeldend, Tessa. Mag ik twee opmerkingen maken?
1) Vaak worden stukjes sterker wanneer ze in de o.t.t. worden geschreven. Dit geldt zeker voor je volgende stukje dat je zojuist hebt geplaatst.
2) In dit stukje zou ik geschreven hebben: Alsof het hagelslag was (is).
Ik geef je hierbij een welkomsthartje.
Dank voor je reactie Ewald! Over die hagelslag heb ik nog getwijfeld 😉