Rechercheur Jansen bukt zich over het lijk en inspecteert de hoofdwond en de hoek van de salontafel. “Hebt u hem zo gevonden, meneer Breker?”
“Inderdaad.”
“Wat weet u van het slachtoffer?”
“Hij woonde alleen, vergeten door zijn familie, kinderen en kennissen. Hij heeft wel ooit geprobeerd om onder de mensen te leven, maar zijn aandoening maakte dat nagenoeg onmogelijk.”
“Denkt u dat hij aan zijn ziekte is overleden, of was het een misdrijf?”
“Beide.”
“Beide? Mag ik vragen wat u van het slachtoffer bent?”
“Zijn beste en enige vriend.”
“Waar leed hij eigenlijk aan?”
“Hij kon niet liegen en vandaag werd me dat te veel. Ik heb hem zijn hersens ingeslagen, toen hij zei dat ik zijn ergste vijand was.”


Recente reacties