Jaren geleden in de auto, mijn tweejarige zoon op de achterbank, leerde ik hoe een kind taal leert.
Na het verkeerslicht versmalt de weg van vier banen naar twee. Ik word afgesneden door een auto die op het allerlaatste moment nog invoegt. In een reflex trek ik aan mijn stuur, rem en sla vloekend en tierend op de claxon. Mijn zoon hoort voor het eerst het woord “kut!”.
Eén kruising verder, van twee naar vier banen en weer terug. Ik haal een auto in, schat mijn en zijn snelheid verkeert in en snij hem af tijdens het invoegen. De bestuurder toetert en zwaait woest met zijn armen. Achter mij past mijn zoon zijn zojuist verrijkte taalkennis toe, “Kut, he papa?”


Ik ga je niet meer vertellen dat ik veel van je 120w mooi acht. Je filosofie over een aantal schijnbaar simpele onderwerpen is [voor mij] taaltechnisch en gevoelsmatig op een zeer prettig niveau.
De regelmaat [hoeveelheid] waarmee je een 120w schrijft is hoog. Je reacties in anderen hun 120w zijn ook een graadmeter.
Kut, nou vergeet ik het [de moeite waard] hartje te vinken. Kuthart. Kutdemoeitewaard.
PS. Ik durf het woord [kut] in rl niet hardop te zeggen. 100% zeker dat ik een knal van mijn papa krijg. Lul mag wel. Want dat zijn mijn papa en ik ook.
@CB Thx, teveel veren in mijn %*!& is ook niet goed, maar ik ben zeer vereerd dat je het leuk vindt om te lezen 🙂