In die dagen ging de auteur geen uitdaging uit de weg. Mijn experimentele fase, zou hij later zeggen.
Streng afgebakende proza (zowel in lengte als in vorm), louter dialoog zonder setting (kan zó opgevoerd worden door een gezelschap met talent, beweerde hij), atypische science fiction (zonder buitenaardse wezens) of lange gedichten (die niemand ooit zou snappen).
Hij maakte tevens een resem versjes zes maal zes: op rijm zes rijen van elk zes lettergrepen, waarvan hier een voorbeeld:
“Sjieke rij cichorei
Nog een grapje erbij.
Langsheen de landerij
Verscholen tussen ’t gras
Tierde ’n ander gewas
Die ‘k wel in ’n slaatje pas.”
Maar het liefste deed hij toch 120 woorden dingetjes. Dan had hij soms genoeg aan een enkel woord.


En altijd weer leerzaam, de 120w. En een mooie plek om te expirimenteren, in welke fase ook. Ik kende ‘resem’ nog niet.