Er is geen teken van herkenning wanneer ik in de spiegel kijk. Ik zie een ongeschoren man, net uit bed, maar nog moe. Ik plets wat druppels water op mijn gezicht en knipper met mijn ogen —een vergeefse poging om wakker te worden. Uit gewoonte poets ik mijn tanden. Ik slurp van de kraan om mijn mond te spoelen. Een glas gebruiken doe ik niet meer. Ik mors op mijn onderhemd, maar dat kan mij niet schelen. Ik wrijf over mijn kin alsof het een botte rasp is. Zonder mezelf aan te kijken, beslis ik dat ik nog een dag zonder scheren verder kan. Straks poets ik ook mijn tanden niet meer. Op een dag sta ik niet meer op.

Ik lees je. En ik voel met je mee. Ik gun je kracht om erdoorheen te komen.