Het is winter.
Een eigentijdse winter die niet weet hoe het moet.
Met lauwe temperaturen en een enkel fris uitschietertje naar nachtvorst waarbij heuse rijp verschijnt, die je ’s morgens met verbaasde ogen aanschouwt. Wit? Koud? O ja, dat heet rijm.
Later is er niet veel meer dan een wolkje hier en daar, een verveelde regenbui in een windvlaag. Een neutrale zon.
Bij de opritten staan kindersleetjes onnozel in de starthouding. Wat weten zij ook van klimaten.
Opstandig wacht ik op sneeuwjachten maar het enige wat ik zie is de tijd die landerig voorbij glijdt, langzaam lichter wordend.
Als je hem tegenkomt mompelt hij slechts maar ja, wat moet een koudeloze wintertijd ook zeggen.


Die koudeloze wintertijd weet misschien niets te zeggen, maar hij levert absoluut een prachtverhaaltje op. Je maakt mooie poëtische zinnen.