We reden Heerenveen binnen, die dag in mei. Overal hingen vlaggen alsof de club de wedstrijd, op naar de Champions League, al had gewonnen. In de straten toeterende auto’s, pratende mensen.
We stopten voor mijn ouderlijk huis. De sleutel zat in het slot en we lieten onszelf binnen. In de kamer stond het bed van mijn vader. Hij wuifde naar ons.
De tv stond aan – op teletekst. Afwisselend waren we buiten bij mijn moeder die op de tuinbank zat. Daar zinderde het leven, hoorden we de mensen juichen als er was gescoord.
Binnen wachtte de dood. Mijn vader hield een briefje omhoog: hoeveel staat het? Na elk punt liet hij zich tevreden in de kussens zakken.
Zijn laatste wedstrijd.


Mooi!
Mee eens.