‘Getver! Dat heb ik weer.’
‘Wat?’
‘Deze mosterd. Zit geen smaak aan.’
‘O?’
‘Echt weer iets voor mij om dat potje te kopen, alleen maar omdat het er zo mooi uitzag. Godverdegodver! Pure geldversplling dit. Wat moet ik er nu mee? Eten weggooien daar hou ik niet van.’
‘Waar heb je het gekocht?’
‘Op de markt, bij de lekkere slager.’
‘Bij de slager?’
‘Ja, precies. Oen die ik ben. Proef jij hem eens.’
‘Honingmosterd? Hm. Beetje zoetig. Op leverworst smaakt het inderdaad niet. Maar misschien wel door de eiersalade. Even proberen.’
…
‘En? Smaakt het zo?’
‘Ja! Dit is heerlijk. Wat een goed idee!’
‘Dus toch geen geld over de balk?’
‘Nee. En gelukkig ook geen voedselverspilling. Je bent een kanjer!’


Leuke dialoog, maar ik kan er eigenlijk geen echte clou in ontdekken.
je hebt gelijk, Hay, het einde was zwak. Ik heb het aangepast. Nu vind ik het zelf wel beter.
Die vloek vind ik niet echt nodig. Jammer.
Leuk om een stukje over mosterd te lezen zonder dat het lijkt dat er hard is nagedacht waar het woord ‘mosterd’ te moeten plaatsen. Hoop dat je mijn reactie snapt… Hartje 🙂
Wat een gevloek. Een gebroken hartje.