‘Waardeloos! dit weer.’ Ze keek om zich heen. ‘Nooit kan het eens een keer gaan zoals het voorspeld is.’ Ik stelde voor om later te gaan. Ze zei: ‘Wanneer dan wel?’ Daar had ze gelijk in. Ze had altijd gelijk, tenminste, dat dàcht ze. Maar ik denk daar anders over. ‘Kom’ zei ik. ‘We moeten door. Anders komen we van de regen in de drup.’ Ze lachte zowaar. ‘Jij altijd met je grapjes.’ Haar stem klonk triest. En toen voelde ik voor het eerst een tinteling. Néé! Een golf van ijskoude Noordpoolmannetjes op de vlucht over mijn ruggengraat. Ik vroeg haar of ze dat ook zo voelde. ‘Regendruppels!’ riep ze. ‘Voel dan?’ Ik hoorde ze wel maar ik voelde niets.

Mooi beschreven Michiel
@Michiel. mooi geschreven.
Let even op: dàcht
Om een woord nadruk te geven, moet het streepje de andere kant op staan.
Dank je wel, Jose en Ineke!
Ik twijfelde er nog aan Ineke: moet dit streepje zo of zo? maar toch de verkeerde kant op. Mijn overweging was deze: De kant van het streepje bepaald de lengte van het geaccentueerde, daar dat kort uitgesproken moet worden, die -a- dus, dacht ik: ik plaats het streepje naar binnen.
Mooi.
Dank je Levja