Er waren vooral Ministeries. Niets was belangrijkers om de Staat te besturen. Er waren er voor alle mogelijke doeleinden. Ambtenaren van Ministeries traden soms op buiten de geborgenheid van hun kantoren waarin zij administratief werk verrichtten en pleegden veldwerk, in gedoemde straten en veroordeelde wijken.
Om de veiligheid van ambtenaren te vrijwaren werden er soldaten ingezet, in de volksmond de drie G’s genoemd: gelaarsd, gewapend, gewelddadig. Zij aarzelden niet om het vuur te openen op luidkeels protesterend gepeupel dat uit woningen werd verdreven omdat het geen Staatsbelastingen kon betalen. Het gepeupel was het volk; in de omgangstaal van de drie G’s heette dat één V.
De Staat zag toe op en zorgde voor zijn onderdanen, zonder afbreuk van de ideologie.

@Jozef Een taalzwak stuk, ik kan er niets anders van maken.