“Hee meisje, ik heb ook een paard, die je mag aaien”. Met die woorden pakt de man het zevenjarig meisje dat een paard staat te aaien op, en zet haar op de stang van zijn fiets.
“Ik mag van mijn moeder met niemand meegaan en mijn zusje en ik moeten bij elkaar blijven”.
De man trekt zich van die woorden niets aan en hij wil juist wegfietsen wanneer het meisje een-mevrouw-met-een-hondje gewaar wordt.
“Mama”, roept ze, “Hier zijn we”. Ze zwaait uitbundig naar de-mevrouw-met-het-hondje die daarop richting paardenweiland koerst. Het meisje maakt van de aarzeling van de man gebruik, springt van de fiets, pakt haar zusjes hand en zet het op een lopen.
Zowel de kinderlokker als de-mevrouw-met-het-hondje zijn verbluft.


Mooi, zo’n bijdehandje!
bijdehand, zeg