Ik ben in een gewelddadig gezin opgegroeid.
Niet door drank of drugs maar door een auto-ongeluk.
Mijn vader kwam na drie maanden coma bij en was totaal veranderd;
hij had zichzelf niet meer in de hand.
Als een woeste stier brieste hij door het huishouden.
Vanaf mijn zevende leed ik dagelijks door zijn woedeuitbarstingen.
Door zijn verstoorde motoriek leek hij dan op een onder hoogspanning staande robot met vertrokken gezicht.
Daarna aanschouwde ik de wroeging die hij voelde over zijn uitbarsting.
s’Avonds moesten we bidden of onze vader alsjeblieft beter mocht worden.
Mijn geweldpleger had hulp nodig, en geen huisverbod.
Hulp die mijn vader en vooral ons gezin ontbeerde.
Ik neem hem nu niets meer kwalijk.


Triest en het zal er niet beter op worden. Verboden zijn vaak de weg van de minste weestand.